elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: geeps

geeps , geepsch , (bijvoeglijk naamwoord) , geelachtig, galkleurig, wat ziet dat mensch er geepsch uit, het is aan zijn geepsche kleur wel te zien, dat hem de gal plaagt.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
geeps , geeps , geefs, geeuws , (bijvoeglijk naamwoord) , Daarnaast ook geefs en geeuws. Geelachtig, ziekelijk van gelaatskleur. || Wat ziet ze der geeuws uit. Je kenne (kunt) wel an zijn geepse kleur zien, dat-i last van zijn gal het. – Geeps is ook in de Beemster gebruikelijk. In de 17de e. vindt men het o.a. bij BREDERO. Zie verder over de afleiding, die niet vaststaat, Ned. Wdb. IV, 688.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
geeps , geips , bijvoeglijk naamwoord , Ziekelijk of bleekgeel. Letterlijk als van een geep. | Wat het ze toch ’n geipse kleur.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal