elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: geniepig

geniepig , [vals] , gniepig , (bijvoeglijk naamwoord) , valsch, bedriegelijk. Het paard is gniepig, het bijt en slaat soms onverwachts, het is een gnieperd. Er zijn menschen die in schijn uwe vrienden, maar te gniepsch uwe vijanden zijn.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
geniepig , geniepig , genieperig, gniepig , Ook genieperig (Zuidwest-Drenthe, Veenkoloniƫn), ook uitgesproken als gniepig = 1. geniepig, stiekem Hiel geniepig hebt ze hum overhaald (Pdh), Hij deu zo geniepig (Zdw), Hij hef altied van die geniepige streken (Rui), Het is een genieperige kerel, je kun hom niet vertrouwen (Pei), Hie kan zo geniepig oetkieken vals, gemeen (Sti) 2. vinnig (Zuid-Drenthe) Een geniepig kereltie (Klv), Het is zo geniepige kold (Hgv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
geniepig , niepetig , geniepig , Wacht dich daovuuer, det is ei niepetig menke!
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal