elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gezondheid

gezondheid , [kledingstuk] , gezondheid , (vrouwelijk) , gezondheden , een mannen onderkleed dat men als een breeden gordel, met ruimen overslag, om het lijf knoopt; eenmaal aan het dragen van een gezondheid gewoon, is het voor de gezondheid gevaarlijk, zich daarvan te ontdoen. Sommigen dragen winter- en zomergezondheden.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
gezondheid , gezōndhaid! , afscheidsgroet bij ’t vertrekken van een vriend of van een gezelschap; ook, als het pas geeft: gezondhaid en ’t beste, en: gezondhaid en goie rais! ook met de toevoeging: groutnis toes! Bij het toedrinken zegt men: gezondhaid! = op uwe, of: op ons aller gezondheid! Ziet men dat iemand met smaak eet, dan hoort men wel: eet maor tou, schoamt joe joen gezondhaid moar nijt (= eet maar flink door, men behoeft zich zijner gezondheid niet te schamen.) Verdam: blijf(t) ghesont = vaarwel; nog heden een gewone heilwensch van Israëliten. (Art. gesont 1). Vgl. proost.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
gezondheid , gezondheid , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Zeker kledingstuk voor mannen. Een rechthoekig stuk flanel of wol, dat men als een brede gordel met een ruime overslag om het lichaam slaat. Tegenwoordig ook wel synon. met flanelletje, rompje, boefje. – Sommigen dragen een zomer- en een wintergezondheid van verschillende dikte. – Evenzo in geheel N.-Holl. || Je moete gezondheidjes dragen gaan. Een swarte camisool, een streepte (gestreepte) gezondheyd, een hoedekas met een hoed, Hs. invent. (Wormer, a° 1766), prov. archief. – Het woord is ook elders gebruikelijk; ook spreekt men wel van gezondheidsgordel.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
gezondheid , gezoondhaejd , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , gezondheid. Biej gezoondhaejd, bij leven en welzijn
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
gezondheid , gezondhoid , zelfstandig naamwoord de , Ook: gordel van baai of een doek om het lichaam warm te houden (verouderd).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
gezondheid , gezónjtheit , mannelijk , gezondheid; proost. Wae zien gezónjtheit beweert, beweert gein douf noot: gezondheid is een kostbaar bezit, waarmee men niet roekeloos moet omgaan.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
gezondheid , gezondheid , de , 1. gezondheid Zien gezondheid löp wat achteruut, maar wat wi’j, aj 90 jaor bint (Ruw), Op je gezondheid gezegd bij het toosten (Schl), De gezondheid lat te wensen over (Gro), Wij blakert van gezondheid (Hgv), Daj hum in gezondheid meugt opeten wens bij vertrek na het vetkieken (Sle) 2. lijfje voor mannen, gedragen tot ong. 1940 De gezondheid is van wollen flanel (Bei), Hie drag ’s winters een baoien gezondheid (Sle) *Gezondhaid gaat veur alles (Bov), Gezondhaid is de grootste schat (Vtm), ...is een hele riekdom (Hijk), ...het beste (Row); Een goeie gezondheid is meer weerd as een kist vol geld (Eex)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
gezondheid , gezondeid , 1. gezondheid; 2. lap van wol of zeemleer, die om het middel werd gedragen ter voorkoming van rugklachten (Kampen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
gezondheid , gezoondheid , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , - , - , gezondheid , proost gezoondhèid! VB: gezoondhèid! En dat v'r t'rs nog vëul maoge dreenke.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
gezondheid , [gezond-zijn] , gezóndjheid , (vrouwelijk) , 1. gezondheid 2. proost
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal