elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: giechelen

giechelen , giggelen , (transitief werkwoord) , grinneken, gillend gelach van meisjes die nog weinig ontwikkeld zijn, en door haar eentoonig geschater toonen, dat zij nog niet veel begrip hebben van wellevendheid.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
giechelen , guchêln , giegelen. Zie guchel 1, en Gron. Volksalm. 1841. 160.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
giechelen , kichele , kichelde, haet gekichelt , giechelen.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
giechelen , giecheln , zwak werkwoord, onovergankelijk , giechelen Die wichter deden niks as giecheln (Zui), De jonge maais, die giechelden en lachten mar en waorumme? Knelis hadde het hemd baoven de broek (Hav)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
giechelen , giecheln , giechelen. Die beide deernties heb altied wat te giecheln.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal