elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: girrie

girrie , [zwendel] , girrie , (mannelijk) , girries , zwier, zwendel. Hij is leelijk aan den girrie, ze zijn daar geducht aan den girrie geweest. Girrie komt welligt van het werkwoord girren: gieren, slingeren, zwaaien, zwendelen.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal