elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: glib

glib , [stremsel] , glib , (onzijdig zonder meervoud) , geronnen melk, kaasrunsel. Zoo lang de gestremde melk onaangeroerd blijft, noemt men die glib; doch zoodra het glib met de kaasnap of harp doorgehaald wordt, scheidt de massa zich in twee deelen, die men wei en wrongel noemt.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
glib , glib , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Lil van gebraden vlees (de Wormer). || Smelt ’et glib maar op. – In de Beemster is glib gebruikelijk in de zin van geronnen melk, kaasrunsel (BOUMAN 33, en vgl. Tijdschr. v. Nijverheid V (1839) 670: “(Men doet stremsel in de melk en) na een kwartier min of meer ... is de melk dik geworden, en in het zoogenaamde glib veranderd. Nu wordt met eenen houten nap, deze (lees: dit) glib zachtjes in alle rigtingen doorgekliefd, hetwelk men doorhalen noemt; de hui of weit, die tot nog toe zich tusschen de menigte gliblagen had afgescheiden, komt nu naar boven, terwijl de thans vaster geworden kaasstof naar beneden zinkt”). Het woord is verwant met Ned. glibberig, glad, en glibberen, glippen, glijden; zie Ned. Wdb. V, 62. Vgl. voor de betekenis Ned. <i>gleei>, lil, dat afgeleid is van glijden.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
glib , glib , zelfstandig naamwoord de/’t , Geronnen melk (verouderd). Het woord is verwant met glibberig = glad en glippen, glibberen = glijden.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal