elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: glop

glop , glop , (onzijdig) , gloppen , opening, ruimte. Er is nog een groot glop tusschen die boomen, dat glop is nog al wijd.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
glop , glōp , zie: slop.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
glop , [spleet, nauwe doorgang] , glüp , (vrouwelijk) , glüppe , spleet.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
glop , glup , spleet, glip, gulp; van eene gapende snede in hand of vinger zegt men: ’t is ’n hijle glup; ’n glup in de pen = spleet in de pen, ’n glup in de broek, (bij v. Dale gulp), de spleet voor in de broek. Hooft: glop, fig. voor: opening; Noord-Holland glop, opening in eene rij huizen; Drentsch glop = gat; open ruimte in een bosch, opening om het koren in de schuur op te laden, enz. Oostfriesch glupe = engte, spleet. – Dit woord zal met: kloof, kluft, gloep, glief, gleuf, enz. van een Germaansche wortel: klub, kluf = splijten, scheuren, bersten, enz. afstammen. Oud-Saksisch klioban, Angel-Saksisch cleofan, Oud-Friesch kliafa, Oud-Engelsch cleoven, Oud-Noorsch kliufa, Oud-Hoogduitsch clioban, chlioban, chliopan, Oud-Middel-Hoogduitsch chlieben, Middel-Hoogduitsch klieben, Hoogduitsch klieben, Nederlandsch klieven, Engelsch to clive = splijten. Zie ten Doornk. art. klöfe.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
glop , glop , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Open ruimte. – a) Tussen huizen. || Sont (sinds) ze dat huis weg’esloopt hebben is er ’en glop. Hier heb-je ’en heel glop (een onbebouwd vak in een rij huizen). – Ook als eigennaam. || Het Glop (te Wormerveer; de Stationsweg, voor welks aanleg indertijd enige huizen zijn weggebroken). Het grote Glop (te O.Zaandam, een kwartier benoorden de Dam, en op de Koog). Het Glop (te Oostzaan). – b) Tussen andere hoogten. || Er is ’en groot glop tussen die bomen. (Bij het zetten van lijnkoeken in een koeken kas:) Ik heb er maar ’en glop in’elaten, aârs kennen we der niet deur. (Van een kind, dat aan het tanden wisselen is en b.v. de beide voortanden mist:) O, wat heb-je ’en glop in je mond. – c) Vaargeul, slop in het ijs. || Ze hebben ’en glop in ’et ijs ’ezaagd. Het glop van de boot is weer toe’evroren. – Het woord is ook elders in N.-Holl. en in Friesl. in gebruik. Zie verder Ned. Wdb. V, 148 vlg.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
glop , glup , gapende wonde
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
glop , glop , zelfstandig naamwoord ’t , 1. Open ruimte tussen huizen, bomen e.d. | D’r wordt in dat glop nag ’n huis bouwd. 2. Nauwe doorgang, steeg, vaargeul door het ijs. Het woord is verwant met het werkwoord gluipen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
glop , glop , gloppe, glöppe, glöp , gloppen , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook gloppe (Zuidwest-Drenthe), glöppe (Zuidwest-Drenthe), glöp (Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. opening, meestal in de heg of in de zoldering Gooi ie de roggebossen maar deur het glop, dan zal ik de legge wel klaormaken (Ruw), Wij hadden om het heui naor boven te kriegen een glop in het vak (Vle), Maak ie det glöp in de hege dichte? De jongen, die kroept er deur (Hgv), (Ze lagen) allebeide dwers mit de voeten naor het glop naar de deuropening van de bedstee (dva:Koe), Het bedsteedeurtie stund op een glöppe (Hgv), zie ook gloep 2. bovendeur van een grote schuurdeur (Zuidwest-Drenthe, noord)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
glop , glöp , glöppe, glup, glubbe, glupse, glip, glippe, glups, , glöppen , (Zuidoost-Drents zandgebied). Ook glöppe (Zuidwest-Drenthe, zuid), glup (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe), glubbe (Veenkoloniën, ook met rekking), glupse (Midden-Drenthe), glip (Zuidoost-Drents veengebied, Zuidwest-Drenthe, zuid, Kop van Drenthe), glippe (Zuidwest-Drenthe, zuid, Veenkoloniën), glups (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), glipse (Zuidwest-Drenthe) = 1. diepe snee, snijwond As een kou nich drachtig worden wol, sneden ze hum wal een glip in het oor, as e net bie de bolle west was (Bco), Mit het strieken van de zende kreeg ik een lillijke glipse in de haand (Die), Een verbaand um een glupse doen (Bei), zie ook lubbe 2. spleet of scheur (Zuidwest-Drenthe) De vrouwlu hadden een glipse deur de rok en kunden zo in de buse komen (Hav), Hoe kom ie ien de wereld an zo’n glipse ien oen jörk (Ruw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
glop , glop , gloppe, glöppe , zelfstandig naamwoord , de; 1. nauwe opening, smalle doorgang 2. weggetimmerde hoek op een zolder
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
glop , gluppe , (zelfstandig naamwoord) , snee. IJ ef een beste gluppe in zien vinger.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal