elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gnokken

gnokken , gnokken , (intransitief werkwoord) , gnukken met de oogen bedelen, hunkeren om een stukje brood. De hond gnokt, de kinderen gnokken. Dat is weer een gegnok.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
gnokken , gnokken , gnukken , (gnòkke) , (zwak werkwoord, intransitief) , Daarnaast gnukken. Schooien, bedelen, hunkeren. Alleen van met de ogen bedelen, hunkeren om iets, dat een ander eet; van honden en kinderen. || Hè, wat gnokt die hond. Staan jullie daar weer te gnukken? Dat gnokken verveelt me danig. – Evenzo in de Beemster (BOUMAN 34). Het woord was eertijds ook in de Hollandse schrijftaal gebruikelijk; zie Ned. Wdb. V, 176. – Vgl. afgnokken, gegnok, gnokker.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
gnokken , gnokke , werkwoord , Bedelend kijken, hunkeren, zeurend vleien.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal