elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gof

gof , gof , (mannelijk) , goffen , stoot, zet, duw. Hij kreeg een gof van het rijtuig tegen zijn rug, die hem voorover deed vallen. Een koppig paard werpt soms met eenen gof den onbedreven berijder in het zand. Zie op stompen.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
gof , gof , (gòf) , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Stoot, duw, zet. || Ik kreeg ’en gof teugen me borst. Hij wier (werd) met ’en gof van zen paard ’egooid. – Evenzo elders in N.-Holl. (BOUMAN 34). In Gron. heeft goffel dezelfde zin (MOLEMA 521). Vgl. Ned. Wdb. V, 385. – Zie goffen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
gof , gof , goffie, guffie , zelfstandig naamwoord de , 1. Guts, scheut. 2. Duw, stoot. Verkleinvorm: goffie, in de zegswijze gaan je goffie, ga je gang, haal je hart op.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
gof , gof , zelfstandig naamwoord , vaart, snelheid Hij vloog met een gof deur de bocht Hij ging met grote vaart door de bocht Hij maokte z’n aaige meddun rotgof uitte voete Hij ging er met grote snelheid vandoor
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
gof , gof , goft , grote snelheid; ‘met een rotgof de boch door
Bron: Oudenaarden, Jan (2015), Wat zeggie? Azzie val dan leggie! Aspecten van het dialect van Rotterdam, Rotterdam.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal