elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gorren

gorren , gorren , (transitief werkwoord) , afbinden, ontmannen, den balzak van een ram met een koord toebinden. De ramlammeren die in het voorjaar niet gesneden zijn, worden in den herfst gegord.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
gorren , gorren , (zwak werkwoord, intransitief) , Zeker knikkerspel. Een aantal knikkers wordt naast elkander op een rij gelegd; de eerste ter rechterhand heet de gor. Naar deze rij wordt nu met één knikker geschoten. Wie een knikker wegschiet wint deze, benevens alle links daarvan gelegene. Wie dus de gor raakt wint alles. – Het spel is van Joodse oorsprong en werd tijdens het Paasfeest gespeeld. Men bezigde echter geen knikkers, maar hazelnoten. De eerste der rij heet bechoore (waarschijnlijk Hebr. bēkor, eerstgeborene). Het spel werd door christenkinderen overgenomen en is thans over ons gehele land verspreid. De naam is op verschillende wijzen verbasterd; vgl. o.a. Navorscher 16, 246.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal