elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gortig

gortig , gortig , (bijvoeglijk naamwoord) , garstig, een ongemak waaraan sommige varkens onderhevig zijn; het spek van gortige varkens is onsmakelijk. Van daar heeft men vroeger keurmeesters aangesteld, die de varkens aan de markt plagen te schouwen.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
gortig , gortig , zie: gorrig.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
gortig , görtîg , (bijwoord); doe moakst mie te görtîg = gij maakt het te erg, gij overdrijft, gij maakt het te grof; ook: gij verteert te veel geld, gij zwiert te veel. – Zie ook: vinnîg.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
gortig , görtig* , in den zin van “vinnig”, komt overeen met “gortig” en “garstigheid” bij v. Dale; de verklaring is aldaar echter onjuist, en dat is zelfs ʼt geval in het groote Woordenboek der Ned. Taal van Dr. M. de Vries enz.! De oorzaak is de blaasworm, d.w.z. de larve van den lintworm.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
gortig , gortig , bijvoeglijk naamwoord , Ook: variant van garstig. | Gortig spek. Zegswijze gortig weze, 1. Niet meer in Sint Nicolaas gelovend. | Je hewwe ze niks meer wois te maken, ze benne al lang al gortig. Kinderen die niet meer in Sint Nicolaas geloofden, kregen eertijds een talhout en een zakje gort op hun stoel of in hun klomp. 2. Wetend waar de kindertjes vandaan komen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
gortig , görtig , gortig , (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook gortig (Zuidwest-Drenthe) = 1. gortig Het wur heur görtig genog, aal dat geschreeuw van dat kind (Eex), De pries was hum te görtig, hij hef de kou nich koft (Bov), zie ook gurrig, gorg 2. ranzig (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid) Dat spek is mij te görtig (Klv), Görtig spek is veur de hond (Coe) 3. görtig wordt ook gezegd van een ‘vinnig’ varken, dat aan trichinen lijdt (Zdw) of niet groeien wil (Bor), ook van een koe die tuberculeus begint te worden (wb) De slachtersko was görtig (wb)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
gortig , gurrig , bijvoeglijk naamwoord , (Zuidwest-Drenthe, zuid) = te gortig Het is gurrig, zoas ze daor tekeer gaot (Zdw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
gortig , gottig , bijvoeglijk naamwoord , 1. erg, onbehoorlijk, te ver gaand 2. garstig 3. tuberculeus 4. lijdend aan leverbotziekte
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
gortig , görtug , gortig, sterk, onbegrijpelijk. in de uitdrukking: “zo “görtug” heb ik het nog niet meegemaakt”.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
gortig , görtig , (bijvoeglijk naamwoord) , gortig. -s mi’j te görtig ‘dat is mij te erg’.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal