elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: greid

greid , griet , (vrouwelijk zonder meervoud) , graszode, het groene weefsel plantenvezels waarvan de wortels verwonderlijk in elkaar gegroeid zijn; de oppervlakte of bodem van het grasland. Somtijds vernielt de grasworm geheele plekken van de griet, doordien dat schadelijk gedierte de wortels der planten wegknaagt.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
greid , greede , land dat vroeger tot weide diende, en, omgeploegd, tot bouwland wordt gemaakt. Gron. grijde, greide = grasland; olle grijden = overoude graslanden; grijde scheuren = weideland, grasland omploegen, tot bouwland maken; OGron. griede, Friesch greide, Oostfr. grêde, greide, gröde, grôe, grô, voornamelijk nooit omgeploegd grasland; Holst. greede, gröde. Oudfr. greid, gree, MNederd. grêt, ghrêt, grêdt = weideland, weide. – griede, enz. van het Oudfr. growa, groja = aangroeien, wassen; Friesch groed, Oudfr. grêd, grêde zal één zijn met OHD. gruot = groen zijn; Oostfr. greien, greuen, groien, Gron. gruien = groeien, eigenl. = groen worden.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
greid , grijde , greide, grieden , oud grasland (wat in den regel eigenlijk een pleonasme is); olle grijden, olle greiden, en ook: olle grieden = overoud grasland; grijde scheuren = grasland omploegen. Ommel. Landr. V, 42: griede ofte Weydland; Old. Landr. IV, 119: griede of weylandt; Selw. Landr. IV, 43: Geen meyer sal griede brecken in sijn drie laetste Jaermalen, ten zij bij consent van den Landtheer; Middel-Nederlandsch grede, gree. Middel-Nederduitsch grêt. Een woord dat alleen in friesche rechtsbronnen voorkomt, en slechts in verbinding met gront, waarmede het een alliteratie vormt. – De beteekenis is eig. de bovengrond, de grond waarin iets groeit. Oud-Friesch gred = weide, weiland: Noordfriesch greyde, Angel-Saksisch graede = gras. (Verdam art. grede). Drentsch greede, land dat van weide tot bouwland wordt gemaakt; Friesch greide = weideland; Oostfriesch grêde, greide = grasland, weideland, inzonderheid zulk grasland, dat nooit omgeploegd werd; gröde, grôe, grô = weideland, weide; Holsteinsch greede, gröde = weideland. – Het Oud-Friesche greed, gree = weideland, weide, Middel-Nederduitsch grêt, ghrêt, grêdt; Oud-Friesch, Oostfriesch, Nedersaksisch groden = aangeslijkt land, (hier uterdiekslanden en kwelderlanden), en dus zooveel als: groene akkers, of: weideland. Voorts Oostfriesch ettgrode, Deensch ettegröde, Noordfriesch ettegrow = etgroen, naweide. – grijde, greide, griede, greede, grode, enz. van het Oud-Friesche growa, groja = wassen, aanwassen; Friesch groed en het Oud-Friesche grêd, grêde zijn één met het Oud-Hoogduitsche gruot = groen zijn; Oostfriesch greien, greuen, groien, Groningsch gruien = groeien, groenen. – Vgl. de benaming van den Noord-Holland polder: Waard en Groet, alsook Groede in Zeeland. Zie ook: keer 1.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
greid , gried , griet , (griet) , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , zonder meerv. De bovengrond, het zwaard van grasland. || De eenden hebben de gried van ’et land helegaar vernield. De grasworm zit in ’et land, de gried is er op verschillende plekken of. – Evenzo in de Beemster (BOUMAN 35). – Vanhier begrieten, rauw land, dat van de gried is beroofd, met gras doen begroeien. Vgl. voor de t de Ned. afleidingen van riet, dat eveneens oorspronkelijk op d eindigde. – Gried komt reeds in de Middeleeuwen in N.-Holl. voor; vgl. griedlant (grasland) Wfri. Stadr. 2, 272. Het woord is één met Fri. greide, Ofri. gred, Ndd. grêt, grêde, greide, grasland. Vgl. verder Mnl. Wdb. II, 2121 (grede) en Ned. Wdb. V, 643 (greid). – Synon. griek.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
greid , grijde* , ook het plaatsje Groede, in Zeeland, zou hieraan zijn naam te danken hebben
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
greid , graide , gescheurd grasland, voor het eerste jaar als bouwland in gebruik
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
greid , gried ,  griek , zelfstandig naamwoord de , 1. Bovenkorst van het grasland. Het woord is verwant met Fries greide = grasland. 2. Taaie, ijzerhoudende laag in kleigrond die slecht water doorlaat.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
greid , greide , grede, graide, graaide , greiden , (Kop van Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, noord). Ook grede (be:Kop van Drenthe, dva), graide (Kop van Drenthe, Veenkoloniën), graaide (bet. 1., Kop van Drenthe) = greidland, weiland (Kop van Drenthe, Zuidwest-Drenthe, noord) Greide plougen weiland scheuren (N:Rod) 2. omgespit of omgeploegd grasland (Veenkoloniën, Kop van Drenthe, Midden-Drenthe) Greide is omgeplougd greslaand (Row), Die eerpels dout het best. Dat is gien wonder, het is ook ’n graide (Eev)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
greid , greide , zelfstandig naamwoord , de; gras, grasland, met name om vee in te weiden
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal