elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: grootscheeps

grootscheeps , [uitgebreid, verwaand] , grootscheepsch , (bijwoord) , deftig, verwaand. Hij spreekt stadhuiswoorden; hoe komt de man er aan, altijd zulke deftige woorden te gebruiken, zoo grootscheepsch te spreken.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
grootscheeps , groôskeeps , groôtskeeps , bijvoeglijk naamwoord en bijwoord , in de zegswijze groô(t)skeeps doen, deftig of verwaand doen, zich rijk voordoen. – Groô(t)skeeps prate, deftig of (overdreven) beschaafd praten.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
grootscheeps , grootskeeps , (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord) , grootscheeps, groot opgezet; zeer royaal.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal