elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gruizig

gruizig , [gretig] , gruizig , (bijvoeglijk naamwoord) , hongerig, graag in het aannemen van spijs. Wat eet die man gruizig; hij slaat de aangeboden spijs met graagte naar binnen, zonder daarom een vraat te zijn.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
gruizig , groezoarig , wezen = het niet nauw nemen wat, of bij wien men eet, het tegengestelde van ties, tessel = kieskeurig. Wordt ook van varkens gezegd die alles vreten wat men hun geeft. Drentsch groesaorig = niet kieskeurig op ’t eten; Noord-Holland gruizig = gulzig, vraatzuchtig; Oostfriesch grûsârdig, Nedersaksisch grusig = geen lekkerbek zijn.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
gruizig , gruizig , (bijvoeglijk naamwoord en bijwoord) , Niet kieskeurig op zijn eten, gretig naar spijs, gulzig, schrokkig. || Ik ben toch zo gruizig tegenswoordig (ik heb zoveel etenstrek, alle eten smaakt mij goed). Die hond is altijd gruizig (lust altijd wat). Wat eten ze gruizig. Wees toch niet zo gruizig. – Evenzo elders in Holl. (BOUMAN 36; Noord en Zuid 3, 114); daarnaast elders ook groezig in dezelfde zin. Zie Ned. Wdb. V, 883 vlg. – Vgl. gruizigheid.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
gruizig , gruizig , gretig. Die kindere benne altijd gruizig (lusten de hele dag wel iets).
Bron: Spek, J. van der (1981), Zoetermeers woordenboek, Zoetermeer.
gruizig , gruizig , bijvoeglijk naamwoord , 1. Hongerig, eetlustig. 2. Hartstochtelijk, wellustig. Het woord is mogelijk een afleiding van het werkwoord gruizen = fijn malen (hier in de zin van: het eten fijn malen). Zie het N.E.W. onder gruis. Zegswijze zô gruizig as ’n jong kirrel, erg hongerig of eetlustig – Zô gruizig as ’n wintervarken, zie de vorige zegswijze; ’n gruizige aap. 1. Een vreetwolf. 2. Een wellusteling. – Gruizige varkes groeie ’t best, hongerige varkens (en kinderen) groeien het best.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
gruizig , grûîezeg , bijvoeglijk naamwoord , [Nbl] gulzig, vraatzuchtig Azzie wat te eete brocht mozze de bêêste grûîzeg zijn Als je wat te eten bracht moesten de koeien gulzig zijn
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal