elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gust

gust , gust , gild , gust, gebruikelyk van koeien en andere melkgevende dieren. Een guste koe, is een koe die geen melk geeft. Meer algemeen is gust vee, alle rundvee dat geen melk geeft. In de Betuwe gebruikt men in deze zelfde beteekenis het woord gild. Ik twyffel of het bovenstaande nauwkeurig is. Gust vee, is vee dat niet met jongen is, niet draagt, ofschoon het voor een tyd noch wel melk geeft. ’t Past op alle vee, en wordt hier wel eens van een vrouwe gebruikt die geen kinderen krygt; men zegt: Zy loopt gust heen.
Bron: Berg, A. van den en H.J. Folmer (1774-1776), ‘Veluws en Drents uit de 18e eeuw’, uitgegeven door K. Heeroma in: Driemaandelijkse bladen 12 (1960), 65-83, 97-116.
gust , gust , (bijvoeglijk naamwoord) , geld, vaar, droog. Men gebruikt dit woord, dat hier weinig genoemd wordt, in de beteekenis van: niet dragtig, even als geld en vaar. Eene guste koe, gust vee. Ik geloof echter dat het woord meer den zin heeft van droog, niet melkgevend.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
gust , gust , niet drachtig, ook = niet melkgevend, droog, van koeien en schapen. Wordt ook van vogels gezegd, bv. van verstoorde patrijzen die geen jongen hebben.In Gron. is: gust = geen melk meer gevend, van koeien; ook: de pomp is gust = lens, als in Overijs. en Friesl. Bij Kil.: guste oft gustighe koe; Sleesw. gust, göst, Oostfr. gü̂̂st. güüst, Noordfr. geest, gust, gast (= Gron. gust), Westf. güste. In Neders. en Holst. zegt men ook: göst, gust, van braakliggend land. Bij de marktgenooten te Balloo is een gust vorrel = een onvruchtbaar vierendeel waardeel. De houder heeft geen recht van eigendom op den marktegrond, maar een gedeeltelijk vruchtgebruik. (Mr. J. Pan.) De woorden gust, gast, geest zijn nauw verwant, en zooveel als: niets voortbrengende, onvruchtbaar, droog, dor. Vergel. Lutje- en Grootegast (Gron.), Gaasterland (Friesl.) enz. Midd.Lat. gastum = onbebouwd land; OFrank. gaste, Zw. gista, Celt. gwista = dor, droog.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
gust , güst , (adjectief) , niet drachtig, van koeien.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
gust , gust , niet melkgevend, en = lens; de kou is gust = zij geeft geen melk meer; guste koeien of schapen zijn: zulke niet drachtige koeien, enz., voor vetworden bestemd; alsdan laat men ze in de gustwaide (vetweide) loopen. – Wordt ook gezegd van niet drachtige varkens, en dus met de beteekenis van: onvruchtbaar, geen jongen voortbrengende, alsmede van hoenders die hebben opgehouden, al is het ook tijdelijk, eieren te leggen; onze hounder bin mit de vorst gust worden. – de pōmp (of: pōmpe) is gust, voor: de pomp is lens. (Zie ook: dop.) Spreekwoord: ’t Guste goud is darten = de jeugd houdt van dartelen, jonge menschen zijn levenslustig. – Drentsch Overijselsch, Friesch gust = niet drachtig; ook = droog, van eene put; Geldersch gustegood = jongere; Middel-Nederlandsch gust tegenover mellieke koe, eene koe die droog staat. Ook: geen weers nogh guste schaepen. (Verdam). Kil. guste oft gustighe koe; Sleeswijksch gust, göst, Oostfriesch güst, güüst, Noordfriesch geest, gust, gast (= gust), Westfaalsch güste. – De woorden: gust, gast, geest zijn ten nauwste verwant; gast nog in: Grootegast, Lutkegast, enz.; Korengast (verbasterd tot Korengarn, eene buurtschap bij Wagenborgen, hetzelfde als: geest, en: gaan, in: Rinsumageest, Uitgeest, Oestgeest, Gaastmeer, Gaasterland, enz., en zooveel als: dorre, droge, onvruchtbare bodem. Middeleeuwsch-Latijn gastum = onbebouwd land; Oud-Frankisch gaste, Zweedsch gista, Celtisch gwistu = droog, dor. (v. Dale: gust = niet drachtig)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
gust , gust* , gast, garst , hij v. Dale = niet drachtig, en fig. = schraal.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
gust , gustĕ , niet drachtig. En gustĕ koe.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
gust , gust , niet drachtig. Ne guste kou.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
gust , gust , Onbevrugt. Een guste koei. Zie ook Kiliaan. Van een paard wordt het niet gebruikt.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
gust , gus , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , niet drachtig. Ne guste koo; nen gusn pot; nen gusn earpl, een maaltijd zonder vlees of vet
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
gust , gust , guts , bijvoeglijk naamwoord , Onvruchtbaar, (nog) niet drachtig. Zie voor de herkomst het N.E.W. onder gust. Dialectische variant guts | Gutse koeie.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
gust , gust , guste ooj, niet bevrucht vrouwelijk schaap; gust rinjtj, jong rund dat maar niet voor de eerste keer drachtig te krijgen is; guste koe:, koe die meermalen gekalfd heeft maar daarna niet meer drachtig wordt.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
gust , guist , zelfstandig naamwoord , koe of paard dat niet drachtig is. (KRS: Hout; LPW: Lop) Zie hoofdstuk 4, punt 6: het vee . De vorm guist komt ook in de Vechtstreek voor (Van Veen 1989, p. 63).
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
gust , guust , gust , (Zuidoost-Drenthe, bet. 4:Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook gust = 1. niet drachtig, soms (grof) gezegd van vrouwen zonder kinderen (Midden-Drenthe) Dizze veers is gust bleven en die is drachtig (Eex), Wij hebt de pinken allemaole gust holden (Zdw), Een guust schaop (Sle), ...guste geite (Wsv), De guuste kaant van de stal, waor het jongvie stiet (Emm), Haal dat heui mar oet de guste hilde zolder boven niet drachtig vee (Pdh), Tap maor in, die gust jonkerels lust nog wel ene spottend voor ongehuwde, jonge kerels (Rol), Het is nog een guust jonkèrel, hie hef nog nooit een kind an de börst had (Sle), (zelfst.) Die gusten kuw wal verkopen (Coe) 2. geen eieren leggend (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, Kop van Drenthe) Hej de kippen gust? (Bal), Guste petrieze zonder jongen (Sle) 3. loos, van aren (Zuidwest-Drenthe, noord) 4. braakliggend (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied, Midden-Drenthe) Dat stuk land ligt al jaoren gust (Bov) 5. leeg (Zuidwest-Drenthe, noord, Zuidoost-Drents zandgebied, Kop van Drenthe) De pot is gust van een koffiepot (Die), De flesse is gust (Dwi)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
gust , gust , (Kampereiland, Kamperveen) niet drachtig. Gunninks woordenlijst van 1908: Guste kòffie ‘koffie zonder melk’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
gust , gus , gust, niet drachtig. As ’n koe gus blif en in ’t volle gres blif loopm, dan wordt hie ongemârk vet.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
gust , gust , bijvoeglijk naamwoord , 1. niet bevrucht, niet drachtig, geen melk gevend 2. leeg 3. zonder vrucht, pit (van een hazelnoot)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
gust , gêêst , goist, guist , bijvoeglijk naamwoord , [O] gust, niet drachtig (gezegd van vrouwelijk vee) Ook goist, guist [O] Een goiste koe
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
gust , gust , bijvoeglijk naamwoord , niet drachtig, een merrie (Den Bosch en Meierij; Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
gust , göst , bijvoeglijk naamwoord , göste , onvruchtbaar; ein göste koe – 1. een 'afgemolken' koe die niet veel of geen melk meer geeft 2. een koe die niet drachtig wordt
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
gust , göst , bijvoeglijk naamwoord , onvruchtbaar
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
gust , gust , guust , bijvoeglijk naamwoord , WBD (v.e. merrie) - niet drachtig, ook 'leeg' genoemd, of (Hasselt) 'nie behaawe '; WNT GUST van vrouwelijke zoogdieren: niet drachtig, hetzij: nog nooit bevrucht geweest, of: voor het oogenblik niet bevrucht. enz. zie guust; guust; WBD gust (Koe die wel vruchtbaar geweest is, maar niet meer gedekt wordt); ook 'gust' genoemd
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal