elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hakkelen

hakkelen , hakkelen , voor stamelen, stotteren.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
hakkelen , hakkeren , (intransitief werkwoord) , stamelen, stotteren, stootend spreken. Hij hakkert, zij hakkeren.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
hakkelen , hàkln , werkwoord, zwak , stamelen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
hakkelen , hakkele , hakkelen, stotteren.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
hakkelen , hakkere , werkwoord , Variant van hakkelen, stotteren.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
hakkelen , hakkeln , zwak werkwoord, onovergankelijk , 1. harrewarren, kibbelen (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Noord-Drenthe) Lig niet zo te hakkeln (Nam), Die kinder hakkeln wat tegen mekaor an (Nor), zie ook haggeln 2. onsamenhangend, stotterend spreken In het begun, as e een verhaol vertelt, döt e niks as hakkeln; as e mor an de loop is, dan geeit het gezwind (Eex), Proot nou ies even bedaard an en staot daor niet zo te hakkeln (Hav), Hie hakkelt er tegen um der oet te kommen (Sle) 3. slecht schaatsen (Zuidwest-Drenthe, zuid), zie ook hakken
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
hakkelen , hakkelen , werkwoord , 1. hakkelend spreken 2. ruziën, kibbelen 3. schoffelen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
hakkelen , hakkele , stotteren , ik kreeg ’t ’r allemaol benaawd van, zo stond tie te hakkele = ik kreeg het er benauwd van zoals hij stond te stotteren-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
hakkelen , hagkele , hagkeltj, hagkeldje, gehagkeldj , hakkelen, stamelen, stotteren
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
hakkelen , hakkele , werkwoord , kerven van stof, stotteren
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal