elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: halje travalje

halje travalje , [halsoverkop] , halje travalje , (bijwoord) , hals over kop, haastig, gezwind, met verhaasten spoed. Dat ging daar halje travalje, zoo hard als het kan.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
halje travalje , halje-travalje , (met klemtoon op hal en val) , (bijwoord) , Overhaast, hals over kop. || Waar gaan jij zo halje-travalje na toe? Toe ze mork (merkte) dat ʼet al zo laat waar ging ʼet halje-travalje, om maar klaar te kommen. – Evenzo in de Beemster (BOUMAN 38) en in Amstelland.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal