elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hamel

hamel , hamel , (mannelijk) , hamels , gesneden ram. Dit woord is hier zeer weinig in gebruik en wordt voornamelijk toegepast op het langstaartig sehapenras in Gelderland en elders, ’t welke soms ook hier in den handel pleegt voor te komen.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
hamel , hamel , bijvoeglijk naamwoord , mager, schraal; Gron. hoamel = schraal, mager, er niet frisch, niet gezond, maar bleek, schraal, ziekelijk uitziende; Oostfr. homel, hamel = niet volgroeid, klein, schraal, enz., OHD. hamal, hamel, MHD. hamel.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
hamel , [armoedig] , hamel , (bijvoeglijk naamwoord) , [weinig gebruikelijk] armoedig.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
hamel , hamel , (mannelijk) , hamels , hamel.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
hamel , hamel , (bijvoeglijk naamwoord) , armoedig in kleeren en uiterlijk, schraal.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
hamel , hoamel , hamel , schraal, mager, bleek uitziend, vervallen, ten gevolge van ziekte of gebrek aan behoorlijke voeding; synoniem met: snips, alsmede met: heun, dat alleen van menschen wordt gezegd en gevaar voor ’t leven in zich sluit; d’r hoameltjes oetkomen = armoedig voor den dag komen; zij ’s snoar in ’t wezen = zij ziet er mager en vervallen uit; hij het ’t zoo stoer, hij wordt’r hoamel en onneuzel van. Drentsch hamel = mager, schraal; Oostfriesch homel, hamel = niet volgroeid, klein, schraal, vervallen, ellendig (van menschen en dieren). Oud-Hoogduitsch hamal, hamel, Middel-Hoogduitsch hamel = geknot, vervallen. – Waarschijnlijk (zegt ten Doornk.) dat het Oud-Hoogduitsche ham = verminkt, oorspronkelijk de beteekenis: krom, gebogen, gekromd, enz. had, en het Angel-Saksische ham, als iets gebogens, iets wat gekromd is, op dezelfde wijze daarvan gevormd werd, evenals: hamal (hamel), gesneden ram, en het Angel-Saksische hamoljon, eigenlijk de beteekenis: verlammen, lam maken, verkreeg. – Zie aldaar art. hamel 2.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
hamel , hemel , ’n Stommen hemel. Een lomperd.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
hamel , hammel , gesneden mannelijk schaap.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
hamel , hamel , haemel, haomel, hamelties , (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe). Ook haemel (Zuidwest-Drenthe, noord), haomel (Noord-Drenthe), hamelties (Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe) = mager, schraal, goor, ziekelijk Dat kiend kik der mor haemel uut, die kan wel ies wat onder de leden hebben (Wap), Hie is slim haomel in het gezicht (Eex), Het ligt er hamel bij (Nam), IJ kiekt lang zo hamel niet meer oet aj daon hebt (Sle), Een haomel kerelie is maoger, schraol (Don), Wat is die vrouw haomel, der zit gien kleur meer op (Dro), Dat kiend löp der haemelties bij schamel, armoedig (Wap)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
hamel , hamel , de , hamels , (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid) = gecastreerde ram Vrogger leup een grote hamel mit een bel um de nak veuran de kudde (Coe), zie ook weer III
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
hamel , häomel , zelfstandig naamwoord mannelijk , häomele , - , mannetjesschaap , (vero.)
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal