elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: handschoon

handschoon , [traag om te helpen] , handschoon , (bijvoeglijk naamwoord) , traag om te helpen, niet gaarne eene hand leenende. Men noemt iemand handschoon, die niet alleen ongenegen is een ander hulp en dienst te betoonen als hij daar toe verzocht wordt, maar ook zelfs in het geringste geval nooit de behulpzame hand uitsteekt.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
handschoon , handschoon , (bijvoeglijk naamwoord) , Traag om te helpen, onhulpvaardig; letterlijk zijn handen schoon houdende of verschonende, sparende, dus: nooit de handen (voor iemand anders) uitstekende (de Wormer). || Je hoeve ʼet hum niet te vragen, hij is altijd zo handschoon. Zo’n handschone meid. – Evenzo in de Beemster (BOUMAN 38. – Vgl. schoonhands.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
handschoon , handskoôn , hanskoôn , bijvoeglijk naamwoord , in de zegswijze han(d)skoon weze, niet behulpzaam zijn, lui zijn, afkerig zijn van (vuil) werk.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal