elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hapje

hapje , hapje , (onzijdig) , hapjes , hap, klein beetje, een mondje vol, een slok jenever. Hij heeft te diep gehapt. Hij moet voor den hap zorgen, d.i. het brood verdienen.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
hapje , happien , het , kleinigheid, pretje Dat was gien happie met de gladde om er oet te gaon (Row), ...um bij de weg te wezen met die kolde (Klv), Dat wark is heus gien happien (Exl)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
hapje , happie , zelfstandig naamwoord , happies , geluk, pretje, buitenkans ’t Is een happie dat ’t goed weer is Wat een geluk dat het goed weer is Ook hiesie; Das gêên happie Dat is geen leuke bezigheid; dat is niet leuk
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal