elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: helt

helt , helt , (vrouwelijk) , helten , druif, handvatsel, de helt van een graaf, spade of greep. Tegenwoordig maakt men de handvatsels van kort gesteelde landgereedsehappen meer doelmatig en gemakkelijker te gebruiken, zoodat de helten langzaam meer in onbruik geraken.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
helt , helt , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Greep, handvat, van een spade, mestvork, kloet, enz. || De helt van me graaf (spade) is er of. Die nuwe helten bennen toch heel wet handiger as de ouwe. – Evenzo elders in N.-Holl. en in Friesl. In de vorm hilt wordt het ook door VAN DALE opgegeven. Zie verder Mnl. Wdb. III, 318, op helte, waar ook de overeenkomstige woorden in andere talen worden medegedeeld.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
helt , helt , zelfstandig naamwoord de , Handvat, handgreep van een kloet, een schop e.d. Vgl. Fries hald. Het woord behoort bij het werkwoord (vast)houden.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal