elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hennenmelker

hennenmelker , [kippenboer] , hennemelker , (mannelijk) , hennemelkers , henneman, kippenboer, zoo noemt men iemand, die een groot getal kippen aanhoudt en daarin het middel van zijn bestaan zoekt. Reeds in het begin der 17de eeuw was de familienaam Henneman hier in den omtrek bekend. In overdragtigen zin geeft men den naam hennemelker aan een man, die zich met allerlei vrouwelijke bezigheden bemoeit. Hennemelker ‑ Jan Hen.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
hennenmelker , hennemelker , zelfstandig naamwoord de , 1. Kippenboer of -handelaar. 2. Jan hen of bemoeial. Vgl. Fries hinnemelker.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal