elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hitsig

hitsig , hitsig , 1) voor warm 2) in den zin van oploopend, driftig, bijv. Het is eenen hitsigen mensch. Meer wordt het hier van beesten gebezigd, bijv. Ik heb een hits
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
hitsig , hessig , (bijvoeglijk naamwoord) , hitsig, heet, vurig, Het is een hessig paard dat graag vooruit wil en geen zweep noodig heeft. Wat is die man nog hessig, het zweet breekt hem uit van drift.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
hitsig , hetsîg , last van warmte hebbende, bv. wanneer iemand verhit is en niet kan zweeten; hetsîg bloud = warm bloed, als bv. van jonge, gezonde menschen. Dit wordt meestal schertsend gezegd als men spoedig over warmte klaagt. Kil. hittigh = heet. Vgl. Sirach 23:20; v. Dale: hitsig, hittig. – Deensch hidzig, Hoogduitsch hitsig = heet, vurig.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
hitsig , hetsig , Hitsig, last van de warmte hebbende. Hu bin î van dage zó hetsig? Hoe heb jij van daag zoo’n last van de warmte? (Ze hindert mij volstrekt niet).
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
hitsig , hessig , hetsig , (bijvoeglijk naamwoord) , 1) Hitsig, geil, wellustig; van mensen en dieren. || Wat is die hond hessig. 2) Warm; van personen (de Wormer). Hessig is men alleen ten gevolge van zomerwarmte of broeiend weer; niet door hard lopen of zware arbeid. In dit laatste geval gebruikt men heet. || Ik ken slecht teugen de warmte; ik ben toch zo hessig. In de Beemster kent men het woord in de zin van vurig, driftig. || Het is een hessig paard, het heeft geen zweep nodig. Wat is die man nog hessig, het zweet breekt hem uit van drift (BOUMAN 41). – Hessig staat voor hetsig en dit is een bijvorm van hitsig; vgl. hette naast hitte. Ned. hitsig betekent zeer vurig, driftig, en wulps. Bij de 17de-eeuwse Hollanders komen hitsigh en hetsigh ook voor in de zin van heet; zie OUDEMANS 3, 123, en Wdb. op Bredero 148. Evenzo kent men in Friesl. hetsig voor warm, van het weer en van mensen. Oost-Fri. hitsig beduidt rozig, koortsig, en driftig (KOOLMAN 2, 89).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
hitsig , hetsig* , hitzig , bij v. Dale: hitsig, hittig; hitzig (zie bijst *.)
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
hitsig , hetsig , Hitsig, last van de warmte hebbende. Hu bin î van dage zó hetsig? Hoe heb jij vandaag zoo’n last van de warmte? (Ze hindert mij volstrekt niet.)
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
hitsig , hetsig , heet, vinnig. Nen hetsigen aord: een vinnige aard. Hetsig van et loopen.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
hitsig , hetseg , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , vurig
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
hitsig , hessig , bijvoeglijk naamwoord , (Nogal) heet, vurig, hitsig. Het woord is een variant van hetsig = hitsig.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
hitsig , hitsich , hitsigger, hitsichste , vurig; erotisch.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
hitsig , hetsig , verhit.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
hitsig , hetsig , hitsig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , Ook hitsig (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = 1. gebrand op iets Dei is overal zo hetsig op man hij warkt nooit niks of (Bco), Hij is nogal hetsig op een koopien (Ruw), ...op dat wicht (Sle) 2. fel, druk doend, heetgebakerd Het is zo’n hetsig kereltien hie zit der drekt van boven op (Sle), Hij is zo hetsig dat ie kunt hum wel een ei in het gat laoten kaoken (Pes) 3. wulps, geil (van man zowel als vrouw) (Zuidwest-Drenthe, zuid) Die meid is aordig hetsig der zal der wel gauw iene mit op de koffie komen (Ruw) 4. zich gedragend alsof het heet is, verhit (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid) Wat is die ja hetsig in heur zömmerjurkie zo heeit is het aans nog nie ik heb nog een trui an (Eex), Wat bi’j toch hetsig warm, opgeblazen (Nije), Hie was zo hetsig hie wol de boel wal oettrekken verhit (Bor) 5. broeierig (Kop van Drenthe) Het is hetsig weer (Row)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
hitsig , itsig , etsig , (Kampen, Kampereiland) 1. verhit; 2. hitsig. Ook: etsig (Kamperveen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
hitsig , hetseg , hitsig.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
hitsig , hitsig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. geil, wulps (van mensen) 2. venijnig, fel, heetgebakerd 3. warm (van het weer, de binnentemperatuur, de beleefde lichaamstemperatuur) 4. zich overdreven druk makend, overdreven druk doend
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
hitsig , hetsig , 1. warm; 2. hitsig; hettig, zeer warm, heet (W.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
hitsig , hitsig , bijvoeglijk naamwoord , hartstochtelijk
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal