elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hoepelen

hoepelen , hoepelen , (transitief werkwoord) , afwijzen, weigeren. Ik wil je wat hoepelen, hij hoepelt hem wat, ik zou je hoepelen. “Ik zal hem graag houden, terwijl hij graag is.”
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
hoepelen , houpeltjen , hoepelen. Vgl. jen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
hoepelen , hoepele , hoepelen zie bandele
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
hoepelen , hoepele , werkwoord , in de zegswijze ik zou je hoepele, hoepel maar op. – Ik wul je wat hoepele, hoepel maar op.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
hoepelen , hoepeln , zwak werkwoord, onovergankelijk , Var. als bij hoepel = 1. hoepelen Deur het verkeer op straote ziej gien kiend meer hoepeln (Noo) 2. hobbelen (Zuidwest-Drenthe, ndva, Midden-Drenthe) Daor komp hij ook anhoepeln (Hgv), H. zat op de olde roene ja heur daor kwam hij an hopeln (Hav), Zie komt der met peerd en waogen an hopeln (Rol), zie ook hobbeln
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal