elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hoetelen

hoetelen , hoetelen , ruilen.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
hoetelen , hoetelen , (intransitief werkwoord) , in het klein handelen, met een klein kapitaal en geringe verdiensten handeldrijven. Men zegt ook wel van iemand die er wat wonderlijk in om springt: hij hoetelt zoo wat.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
hoetelen , hoetelen , (zwak werkwoord, intransitief) , 1) Beuzelen, broddelen. In deze zin algemeen Ned.: zie de wdbb. || Wat zit je weer an die klok te hoetelen, je ken ʼem toch niet maken. Hij hoetelt maar zo wat. 2) In het klein handelen; van iemand die met klein kapitaal handel drijft. || “Wat doen-je nou voor de kost?ˮ “Och ik hoetel tegenswoordig zo’n bietje.ˮ – In deze zin ook elders in N.-Holl. (BOUMAN 42). Vgl KIL, “hoetelen, soetelen, cauponari, ex rebus velissimis quaestum captareˮ – Zie hoetelaar.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
hoetelen , hoetele , werkwoord , 1. Kleinhandel drijven, scharrelen. 2. Beuzelen. Vgl. Middelnederlands hoedele = knoeien, op minder eerlijke wijze negotie doen. Zie het N.E.W. onder hoetelen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
hoetelen , hoedeln , hoelen , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, oz). Ook hoelen (Midden-Drenthe) = de mantel uitvegen, uitschelden As die eenmaol an ’t hoedeln is kriej der gien woord tussen (Hol), Ik heb hum de pèens volhoedeld (Man), ...vol hoeld (Hijk), zie ook oethoedeln
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
hoetelen , hoetelen , werkwoord , flink bestraffend toespreken
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
hoetelen , hoetele , hoêtele , werkwoord , eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); ruilen, sjacheren
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal