elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hokken

hokken , [opsluiten] , hokken , (transitief werkwoord) , mesten, opsluiten. Vroeger werden hier de vette schapen gedurende den winter gehokt, d.i. in daartoe ingerigte stallen opgesloten en met paardeboonen hooi en haver gevoederd. Men noemde die wijze van schapen mesten, hokken. De dus genoemde hokschapen waren kenbaar aan de hooggele kleur der wol, zijnde het gevolg van de sterke uitwaseming van den steeds in broeiing verkeerenden mest. Gedurende eene reeks van jaren hebben voorname vetweiders, die tevens ook veehandelaars waren, zoo te Purmerende als elders, op die wijze in het wintersaizoen in de behoefte der vleeschhouwers te Amsterdam en elders kunnen voorzien, terwijl de mest tegen goeden prijs aan de amersfoordsche tabaksplanters werd verkocht. Al sedert 40 a 50 jaren hokt men hier geen schapen meer, slechts kleine partijtjes uitgezonderd, omdat men nu schier den geheelen winter doorweidt.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
hokken , hokken , gehokt , het opzetten der schooven tot hokken (zie: hok); Gron. hokken, en: ophokken, Oostfr. hokken, Neders. uphokken. gehokt = v.d. hokken
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
hokken , hokken , een eenvoudig kaartspel, waarbij: hokken = ontbreken van eene volgkaart, te pas komt. “Hokken, jassen, lantervullen, Gouw de pot mit bijsten op!” (v. Dale: hokspel, zeker kaartspel; Neder-Betuwsch hokke, bij het commersen.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
hokken , hokken , (werkwoord) = ophokken (Ommelanden) = het opzetten der schooven tot hokken (zie: hok 1.) Drentsch hokken, Oostfriesch hokken, Nedersaksisch uphokken, Hoogduitsch hocken, West-Vlaamsch mandelen, en: stuiken.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
hokken , hòjkng , werkwoord, zwak , ergens bedachtzaam langs lopen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
hokken , hokke , hokken (zonder contract samenwonen).
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
hokken , hokken , 1. hokken. 2. in concubinaat leven
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
hokken , hokke , hokde, haet gehok , hokken.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
hokken , hokken , hokkeln , zwak werkwoord, onovergankelijk , Ook hokkeln (dva, in bet. 1.) = 1. ongehuwd samenwonen Dat hokt allemaol mar bij mekaar in tegenwoordig (Pdh), Hokken was vrouger ’n oneer nou ’n eer (Row), Hie hokt daor met dat wief oet Denakker (Sle) 2. in een groepje bij elkaar wonen (Zuidoost-Drents zandgebied, Kop van Drenthe) Die lu hokt mar wat bij ’nkander (Oos), Jonge motten hokt bij mekaar (Sle), Toen de olde lu uut de tied waren hokten de kiender varder (Hgv) 3. in hokken zetten van schoven (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) Nao schoultied mussen wij altied helpen hokken (Nor), Hokken is altied het minste waark west in de bouw (Wtv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
hokken , òkken , werkwoord , hokken
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
hokken , hokken , werkwoord , 1. bijeen huizen in een (te) kleine ruimte 2. ongetrouwd samenwonen 3. haperen, blijven steken
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
hokken , hokke , werkwoord , hok, hokte, gehokt , ongehuwd samenwonen (concubinaat) In Dordt was het ‘kokkebijne’, in Rotterdam ‘knijne’ of ‘knijnehokke’ (afleidingen van concubine) Ook hokkemokke
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
hokken , okken , (werkwoord) , okken, e-okt , hokken, samenwonen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal