elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hooier

hooier , [iemand die hooit] , hooier , (mannelijk) , hooiers , iemand die hooit. Ofschoon men elken arbeider die aan den hooibouw deel neemt, als zoodanig een hooier noemt, past men dien naam echter meer bepaaldelijk toe op Duitschers die, even als de grasmaaiers, voor eenige weken in Holland komen, om tegen hoog loon in den hooibouw werkzaam te zijn. In den regel zijn de hooiers minder ontwikkeld en armer dan de grasmaaiers.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
hooier , heuers , (Oldampt, Westerwolde) = hooiers, Drentsch heuiers, Hoogduitsch Heumacher. Zie ook: heu.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
hooier , heuier , de , (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents zandgebied) = iemand die hooit Bij nette en flinke heuiers bi’j gien naoheuier neudig (Wee), Ik heb de heuiers man even wat to drinken brocht (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
hooier , hujjer , hujgien, huigien, hujkertien , zelfstandig naamwoord , de; 1. iemand die hooit 2. (vaak verkl.) klein buitje, veelal gezegd wanneer men in het land werkte en er een bui kwam, vooral van een bui stofregen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal