elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hooigat

hooigat , hooigat , (bijvoeglijk naamwoord) , vermoeid, afgemat, door den drukken hooibouw afgetobd. Men past dit woord niet alleen toe op de arbeiders, maar ook op trekdieren. Mogelijk is het eene verbastering van hooimat.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
hooigat , hooigat , (bijvoeglijk naamwoord) , Afgemat; van iemand, die bij het schaatsenrijden door grote vermoeidheid de anderen niet kan volgen. || Hij is hooigat. – In de Beemster bezigt men het woord van personen, die door arbeid afgemat zijn, maar ook van trekdieren (BOUMAN 43).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
hooigat , hooigat , bijvoeglijk naamwoord , in de zegswijze hooigat weze, afgemat zijn, gezegd van mensen en trekdieren. Mogelijk was de oorspronkelijke vorm hooimat, d.w.z. afgemat door het hooien.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
hooigat , hojgat , hooiluik
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
hooigat , huigaat , (onzijdig) , gat in zolder waardoor hooi naar beneden werd gegooid
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal