elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hooiklamp

hooiklamp , [hooimijt] , hooiklamp , (mannelijk) , hooiklampen , hooimijt, hooischelf. Tot een hoop opgetast hooi in de open lucht noemt men een hooiklamp. Men maakt de hooiklampen rond of vierkant, en dekt ze met bladriet of flab.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
hooiklamp , hooiklamp , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Hooischelf, een ronde of vierkante stapel stevig opgetast hooi, meestal van een paar meters hoogte, doch niet door een dak of muren tegen het weer beschermd. Zie klamp II. || Er is veul hooi van ’t jaar; we hebben behalve de barg nog drie hooiklampen. Er bennen alleen ’en paar hooiklampen verbrand. – Ook een stuk land te Zaandam in het Oostzijderveld heet de Hooiklamp. Waarom dit zo is genoemd, blijkt niet.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
hooiklamp , hooiklamp , zelfstandig naamwoord de , Hooischelf buitenshuis.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
hooiklamp , hujklaampe , zelfstandig naamwoord , de; deel van het hooi dat men heeft aangesneden en waaruit men steeds hooi haalt voor het vee
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal