elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hooikrok

hooikrok , [hooizaad] , hooikrok , (onzijdig) , hooikrokken , hooizaad, krok, eene mengeling van allerlei plantenzaden, waarvan men vroeger veel gebruik maakte om ongedekte plekken van het grasland te bezaaien. Reeds in 1611 toen de Beemster gedeeltelijk droog was, heeft men eenige strooken van dien nieuwen grond met hooikrok bezaaid. Thans verzamelt men weinig krok, omdat het gras vroeger wordt afgemaaid en dus niet tot rijpheid komt, zoo als voorheen het geval was.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
hooikrok , hooikrok , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , zie krok.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
hooikrok , hooikrok , zelfstandig naamwoord ’t , Fijn graszaad dat zich tussen het hooi bevindt. Vgl. Fries heakrôk.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal