elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hooisteker

hooisteker , [iemand die het hooi keurt] , hooisteker , (mannelijk) , hooistekers , hooipeilder, keurmeester, van het gemeentebestuur aangesteld en belast met het toezigt op het broeien van het hooi.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
hooisteker , hooisteker , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Iemand, die vanwege het plaatselijk bestuur aangesteld is om het hooi te peilen en toezicht te houden op het broeien van het hooi. Hooistekers komen reeds in de 17 de e. voor; vgl. b.v. LAMS 539. – Evenzo in de Beemster (Beemster-lands Keuren 86; BOUMAN 44) en in de Zijpe (Octr. v. d. Oude Zijpe, Titel 25, a° 1700).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
hooisteker , hooisteker , zelfstandig naamwoord de , 1. Zie hooi-oizer. 2. Iemand die (van overheidswege) op gezette tijden met een hooisteker de temperatuur van het hooi peilde.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
hooisteker , hujstikker , zelfstandig naamwoord , en var. de; hooispade, hooigraaf, nl. om blokken hooi in een hooivak los te snijden of om in ingekuild gras te spitten
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal