elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: horde

horde , hort , (mannelijk) , horten , weidesleep, een werktuig, voor lang in gebruik om over het grasland uitgespreide mest en aarde fijn te maken. Door twee paarden getrokken wordt het werktuig al hortende en stootende voortgesleept; de voerman, die op de hort zit of staat, weet zeer goed waarom men die weidesleep een hort noemt. In 1839 gebruikte ik reeds den hort tot het verdelgen van den unjer, en heb mijne bevinding deswege toen medegedeeld in het Tijdschrift voor Nijverheid. Misschien ook afkomstig van het woord horde.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
horde , hōrre , hōr , eene soort van zeef door welke men de kleine aardappelen uitschiet. Zal staan voor: horde; zie v. Dale onder dat woord.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
horde , hort , horde , (hòrt) , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , 1) Benaming voor verschillende werktuigen, die uit een vlechtwerk van tenen, latten, traliën, enz. bestaan. – a) Een soort van grove zeef, waarop sintels of cokes worden uitgezift. || Der is zoveel fijn bij de cokes, ze hebben zeker vergeten ze op de hort te doen. – b) Bij de papiermakerij heeft men in de voddenschuur een lage en een hoge hort. – De lage hort bestaat uit een vlechtwerk van houten latten, waarop de lompen liggen, die door de scheursters worden uitgezocht en gescheurd. De afval valt door de gaten in de zich daaronder bevindende ruimte. De hoge hort ligt hoger en heeft koperen tralies, waardoor het vuil valt. Hierop worden de uitgezochte lompen door de scheurster uitgespreid en dan door de hortster nagezien. Vgl. Groot Volk. Moolenb. I, pl. 16. || Een hort met koperen traliën, een dito met hout, Verkoopings-Catal. (Koog, a° 1832). – c) Een hort voor tarwe. Een toestel van dubbele latten, waar de tarwe tegenaan wordt gegooid, zodat de punten der korrels en de doppen er af vliegen. De tarwe wordt dus zodoende zwaarder. Gehorte tarwe wordt duurder betaald. – d) Bij de landbouw. Een werktuig om de over het land gestorte modder (of mest) gelijk te maken en bestaande uit een houten raam met dwarslatten, wier scherpe kanten naar onder zijn gekeerd. De hort wordt door één of twee paarden getrokken. Evenzo elders in N.-Holl. (BOUMAN 45). – Zegsw. Grote horten ben te korten, kan men korter maken; gezegd wanneer iets te groot is. 2) Overdr. van personen. || ’t Is ’en hort van ’en kerel (er is niets met hem te beginnen). Wat ’en stijve hort (van iemand, die stijf en houterig is.) Vgl. DE BO2, 395: “zoo stijf als eene hurde”. – Zie hortig. In de uitdr. de hort op zijn, de straat op zijn, er van door zijn. Zie verder op hortekie. || “Waar is Jan?” “O, die is natuurlijk de hort op.” – Ook zegt men: hort! voor weg! ga! voort! Vgl. hortsik. Hort is hetzelfde als Ned. horde, vanwaar ook horretje, raamhor; zie de wdbb. De vorm hort vindt men reeds in het Mnl. en Mnd.; vgl. Mnl. Wdb. III, 606. – Zie horten.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
horde , hōrre* , 2: Nederlandsch horde.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
horde , hörtje , vensterhorde.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
horde , hortje , o , rekje ’n hortje éêjer Een rekje eieren.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
horde , hoort , 1) stok in het hok waarop de kippen slapen; 2) geheel van zitstokken en mestplank; 3) metalen vlechtwerkje om pannekoek of vlaai op te leggen; verkleinvorm hurtje.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
horde , hord , zelfstandig naamwoord , mat van gevlochten *sliete (wilgetenen). Hiervan werd een bruggetje gemaakt (voor over een sloot of een drassige plek), waarover dan de koeien konden lopen (LPW: Bens)
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
horde , horre , hodde, hor , zelfstandig naamwoord , de; 1. dikke, dichte, in elkaar gedraaide laag struiken, planten, gras 2. horde, grote groep 3. Hor (voor raam) 4. (mv.) hoeken, kanten
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
horde , hoeërt , zelfstandig naamwoord , hoeërte , hoeërtje , 1. hek in een omheining 2. toegangspoort tot het erf ook breer, faorel, pórt, vaôr
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
horde , haort , haorte , häörtje , rek
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal