elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hotemetoot

hotemetoot , hotemetoot , (mannelijk) , hotemetooten , opperste, hoofd. Hij is daar de hotemetoot, de baas, de meester, de spil waarom het alles schijnt te draaien.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
hotemetoot , hotemetoot , (hótǝmǝtoot) , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , De eerste persoon, de man waarom alles draait, die in alles het meeste te zeggen heeft. || Hij zou er wel graag voor hotemetoot spelen, maar ’et lukt niet te best. Hij is zowat de hotemetoot. – Te Zaandam is een otemetoot ook een vervelend oud mens, dat zich met alles bemoeit. – Evenzo verderop in N.-Holl. (BOUMAN 45), in Zeeland (otepatoter, O. Volkst. 2, 146). In Vlaanderen is ottepetotten veel moeite en beslommeringen met iets (b.v. kleine kinderen) hebben, en ook iets slecht doen (SCHUERMANS 441).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
hotemetoot , hôtemetoôt , ôtemetoôt, hôtepetoôt, ôtepetoôt , zelfstandig naamwoord de , 1. Baas, degene die alles regelt of bedisselt. 2. Bemoeial. 3. Verouderd voor meesterknecht, werk- of goederenverzorger. Misschien schuilt in het woord Latijn factotum = manusje van alles. Vgl. Boek. onder hotemetoot.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
hotemetoot , hotepetoot , zelfstandig naamwoord , hotepetoote , hotepetootjie , hotemetoot, iemand met hoge positie, hoge ome
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal