elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hulft

hulft , hulft , (vrouwelijk) , hulften , holleblok, klomp, hut. De mannen dragen klompen, de vrouwen hulften, hutten. De beteekenis is dezelfde, alleen zijn die der vrouwen kleiner, netter van vorm en van ligter hout.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
hulft , hulfter , (zelfstandig naamwoord) , Hetz. als hulft; zie aldaar. Thans verouderd. || Zy droegen in ’t gemeen hulfters aan de voeten, een hout dat uit een stuk gehoolt is, daar op gingen se somwijlen aan den dans, en sloegen dan de voeten tegen den anderen, SOETEBOOM, S. Arc. 502. – De uitgave van 1702 heeft te dezer plaatse (bl. 418), met een drukfout, “hulsters”. Vgl. de naam Hulfterkamp op hulft.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
hulft , hulft , hut , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Daarnaast hut. Klomp, holleblok. || Ik heb ’en paar nuwe hulften ’ekocht. Heb-je ’en hulft stukkend, stoute meid? Ik zel je mit me hut op je ziel slaan. Waar benne me hutten? Men zegt, datter (tijdens de troebelen) een weyde verkogt wierd’ voor een paer Hulften, nu nog Hulfter-kamp genaemt, SOETEBOOM, Ned. Ber. 16. Vgl. hulfter. – Hulft (hut) en daarnaast holft (Taalgids 1, 112) is ook elders in N.-Holl. zeer gebruikelijk. In de Beemster noemt men de fijner bewerkte holleblokken hulften, de grove heten klompen (BOUMAN 46). HULFT is ook als naam van ’n N.-Holl. geslacht bekend, dat een hulft in zijn wapen voert. – Ook KIL. vermeldt: “huelfte, Holl. sculponea, solea lignea”.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
hulft , hulft , zelfstandig naamwoord de , Klomp (verouderd). Zegswijze op ’n hulft en ’n slofskoen, armoedig gekleed, van alles berooid. Meervoud hulfte, in de zegswijze z’n hulfte weer thuisbrenge, weer opstappen en naar huis gaan.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
hulft , öt , onzijdig , ötter , ötje , hoofd; sluitkool. ’n Öt wie ’n ötje mous: een hoofd als een kool.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal