elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ietwat

ietwat , [een beetje] , ietwes , (onzijdig zonder meervoud) , ietwat, iets, iet ofte wat. Hij heeft er ietwes van verteld, daar valt wel ietwes op aan te merken.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
ietwat , ijts wat , iets, hoe weinig ook; as ’t ’r moar ijts wat an scheilt den ropt ze om dokter, den lust ze ’t eten nijt, enz. Eigenlijk pleonastisch
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
ietwat , eitwat , iets, enigszins. Eitwat krap: een beetje nauw.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
ietwat , ietwes , onbepaald voornaamwoord , Verouderd voor ietwat. Vgl. Duits etwas.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
ietwat , ietewat , bijwoord , iets, beetje ’t Is ietewat te waainig Het is iets te weinig
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
ietwat , iete wâ , (E) iets. Iete , iet (W)
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal