elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: jeukel

jeukel , [ijskegel] , jeukel , (mannelijk) , jeukels , ijskegel, een straal bevroren water. De jeukels zitten aan zijn baard. De jeukels groeien aan het dak.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
jeukel , jeukel , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , IJskegel. || Der hangt ’en jeukel an de raam. Wat zitten der ’en jeukels an de goot. De jeukels zitten in je baard. – Evenzo elders in N.-Holl. (BOUMAN 49). Vgl. Fri. jûkel, Oost-Fri. îs-jökel, Noord-Fri. jöckel, jögel, jael. Mnd. jokele, ijskegel, Hindeloopens jokling, ijskegel en door de vloed opeengeschoven ijsschollen, Ono. iökull, ijsberg. Vgl. ook Ags. gicel, Eng. icicle (ice-icle), ijskegel.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
jeukel , jeukel , zelfstandig naamwoord de , IJskegel (verouderd). Vgl. Boek. onder jeukel.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal