elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: jok

jok , jokkes , (bijvoeglijk naamwoord) , jok, leugen. Het is al te maal jokkes. Zij hebben u jokkes verteld. Al weer jokkes.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
jok , juks , jok , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Jok, scherts. Alleen in de uitdr. uit juks, uit de juks, uit jok, om niet. || Het tegenovergestelde is uit de waars. || We knikkeren uit de juks, hoor. – Evenzo bij de 17de-eeuwse Hollanders om ’t jocks (DE VRIES, Warenar 104). – Vgl. Oost-Fri. juks, Hgd. jux, Lat. jocus, in dezelfde zin. Zie verder FRANCK op jok.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
jok , jóks , mannelijk , gekheid, grap. Veur de jóks sjpeele: om keizersbaard spelen.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
jok , joks , uitdrukking , Oit joks [O] 1. voor de lol 2. om niet (spel zonder inzet) Ook omt joks, uit joks; Uit joks 1. voor de lol 2. om niet (spel zonder inzet); Omt joks 1. voor de lol 2. om niet (spel zonder inzet) We speule omt joks We spelen zonder inzet
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
jok , joeks , zelfstandig naamwoord, mannelijk , flauwekul, plezier
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
jok , jook , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , joke , slechte binnenweg, vrouw, slordig gekleed
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal