elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kakelbont

kakelbont , kakelbont , bont als een kakelhoen, gespikkeld.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
kakelbont , kakelbont , (bijvoeglijk naamwoord) , gevlakt, gespikkeld, bont, zoo bont als een kakelhoen, met vreemdsoortige vlekken.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
kakelbont , kaakelbónjt , kaakelbónjter, kaakelbónjtste , kakelbont.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
kakelbont , kakelbont , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , kakelbont Dat mens lop der bie dei is gewoon kakelbont (Bco), Wat hef die een kaokelbont schoet veur (Gro), Dat is zo kakelbont dat döt gewoon zeer an de ogen (Hol), Die is altied zo kakelbont antrökken (Klv), Wat zöt die der ok kakelbont oet kakelbont, ook: bont en blauw (Sle), Kiender meugt heur graeg zo kaekelbont meugelijk verkleden (Die)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kakelbont , kakelbont , kakelbont
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kakelbont , kaekelbont , bijvoeglijk naamwoord , kakelbont
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal