elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kapoeres

kapoeres , kapoeris , (bijvoeglijk naamwoord) , dood, kapot, stuk. Hij is kapoeris, het leven is er uit.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
kapoeres , kepoeris , kepoerum, kapoerum , min of meer spottend voor: kapot, aan stukken. (v. Dale: kapoeres, kapores = verloren; weg; dood. ’t Woord is aan het Hebreeuwsch ontleend. – Prof. Dozij zegt: kappores is van Joodschen oorsprong. In ’t Jodenduitsch zegt men: werd’ mein Kappere! in den zin van: du sollst meinetwegen verderben. – Avé-Lallemant. Das deutsche Gaunerthum IV bl. 392, 553; kappore machen = umbringen, ermorden, vernichten; kopores = todt, hin, verloren.) Vgl. kepot.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
kapoeres , kapoedewiets , [D: kaput] kapot, vernield, stuk. [Oef]
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
kapoeres , kepoeres , TL 399: kepoerom = kepòt. (Uit het Jodenduits). Afgeleid van Jiddisj KAPPORE, Hebr. KAPPARA = verzoening. Zou te maken hebben met het gebruik op de dag vóór de Grote Verzoendag een symbolisch offer (een haan) te slachten, als zoenoffer. De betekenis slachten, afslachten zou dan het oorspronkelijke KAPPARA (KAPPORE) hebben vervangen. Iemand “kepore” maken. Misschien heeft ten onzent de associatie van kepore en kepòt volksetymologisch nog een rol gespeeld.
Bron: Meijer, J. (1984). Tolk van ’t Olle Volk – Joods Supplement op het Nieuw Groninger Woordenboek van K. ter Laan. Heemstede
kapoeres , kepoéres , bijvoeglijk naamwoord , Kapot.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
kapoeres , kepoerewiétes , bijvoeglijk naamwoord , Kapot.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
kapoeres , kapoores , jiddisch: kapoeres: weg; dood.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
kapoeres , kapoeris , kapoerum , 1. stuk, kapot. 2. dood.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
kapoeres , kepoedewiet , zie kepòt
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kapoeres , kepoeres , zie kepòt
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kapoeres , poeres , poer, kepoeres , bijvoeglijk naamwoord , kapot Die is poeres (gezegd als iets breekt of kapot valt) Ook poer Zie ook kepoeres
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
kapoeres , kepoerewiets , kapot , M’n schoewn zén kepoerewiets. Mijn schoenen zijn kapot.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
kapoeres , kapoeriat , kapoeriats , kapot; kapoerewiet
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.
kapoeres , kapoerewiets , bijvoeglijk naamwoord , H. van Rijen (1988): stuk, kapot, dood; WTT-2012: de etymologie is nog niet bekend; kepoerewiets; kapot, dood; Stadsnieuws:  èfkes piepte ze nòg, mar toen waar de mèùs hartstikke kepoerewiets - eventjes piepte de muis nog, maar daarna was ze morsdood (220407); van Jiddisch 'kapoeres' (= dood) [?]
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal