elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: karekiet

karekiet , karrekiet , Rietmusch of rietvink; een klein vogeltje dat zich gewoonlijk in het riet ophoudt en daar nestelt. Vóór en vooral gedurende den broeitijd laat het mannetje een zonderling, vrij eentoonig en schor geluid of wild gezang hooren, hetwelk de knapen in het volgende rijmpje plegen na te bootsen: ‘Karre, karre, kiet, kiet, kiet, / Mijn nestje zit in ʼt riet, riet, riet, / Niemand vindt het niet, niet, niet.’ De karrekiet heet dus naar zijn wildzang even als de koekoek, naar zijn geroep van koekoek, Fransch coucou, Latijn cuculus, een bewijs dat cuculus, door de Romeinen niet dus, maar coecoeloes uitgesproken werd, zoo als de Duitscher het Latijnsche woord nog uitspreekt met den oe-klank. Bilderdijk, Geslachtlijst op karkiet, heeft: ‘een vogel ʼs morgens vroeg by den zomertijd in ʼt riet zingende,’ voeg er bij: ʼs avonds ook, zoo als de meeste vogels meer ʼs morgens en ʼs avonds dan over dag zingen.
Bron: Buser, T.H. (1856-1861), ‘Geldersch Taaleigen’, in: De Nederlandsche Taal 1856, 1: 13-17, 163-188; 1857, 2: 194-217; 1858, 3: 271-278; 1859, 4: 186-197; 1861, 6: 61-68.
karekiet , karrekiet , (mannelijk) , karrekieten , rietvink. Men noemt dezen vogel, die hier veel in het riet gehoord wordt, aldus, om zijn eentoonig zingen van, karre, karre, kiet, kiet, kiet.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
karekiet , kärrekiet , karekiet. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: rîêtkatte
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
karekiet , karrekiet , zelfstandig naamwoord , de; karekiet
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal