elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: katten

katten , katten , (transitief werkwoord) , staken, na een gedanen koop zijn woord terug nemen, koop breken. Hij heeft het aangenomen werk gekat, hij kat den boel. Zie op het woord rouwkoop.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
Katten , katten , schimpnaam der inwoners van Feerwerd.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
katten , katten , (zwak werkwoord, transitief) , Een zaak schutten, gekochte koopwaren bij de aflevering weigeren in ontvangst te nemen. || Ik heb die olie gekat. Die rijst is niet volgens conditie, we moeten ze dus katten. Hij kat de boel. – Overdr. ook zich tegen iets verzetten, maken dat het niet gebeurt. || Hij katte ’et. – Katten in de zin van een koop breken is ook verderop in N.-Holl. gebruikelijk (BOUMAN 51), en waarschijnlijk ook elders, al geeft VAN DALE het woord niet op. In Oost-Friesl. zegt men in dezelfde zin naast katten ook “hê smitt de katt d’r in” en “hê hed de kat d’r in kregen” (zijn goed is gekat); zie KOOLMAN 2, 187b. Er de kat in steken voor een zaak staken in algemeen-Ned. en wordt o.a. ook door VAN DALE vermeld. Misschien hangt de uitdr. samen met de volksmening, dat, als de zwarte kat (heks, boze geest) ergens tussen komt, de boel verkeerd loopt. – Vgl. kat 4.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
katten , katte , werkwoord , Afsnauwen, vitten, treiteren.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
katten , katte , werkwoord , 1. Afdingen. 2. Gekochte waar niet in ontvangst nemen, een koop annuleren.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
katten , katten , soort kaartspel.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
katten , katten , werkwoord , 1. zich niet houden aan de gemaakte afspraak 2. ruziën, kibbelen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
katten , katte , werkwoord , kat, katte/kattende, gekat , [O] 1. weigeren in ontvangst te nemen Hij had die terrow wel verkocht, maor ze wier gekat Hij had die tarwe wel gekocht, maar hij wiegerde die in ontvangst te nemen 2. kinderspel (waarbij de één een aantal noten op een rij zet en de ander hen in volgorde moet raken)
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal