elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: keilen

keilen , keilen , (intransitief werkwoord) , drijven, zich in eene regte strekking voortbewegen. Het schip keilt wel aardig voor den wind af. Ook met een plat steentje langs het water ketsen.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
keilen , keilen , (zwak werkwoord) , [weinig gebruikelijk] met een steen werpen.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
keilen , keilen , (zwak werkwoord) , met een steen werpen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
keilen , keilen , (zwak werkwoord) , trans en intransitief Zie de wdbb. en DE JAGER, Freq. 2, 213. – 1) Platte steentjes over het water doen scheren, zodat ze enige malen opspringen. Synon. briezelen, kiegelen, kietelen, kiezelekas doen, koegelen, kriegeldekraggel doen, priegelen en sibberen; zie aldaar. – Voor de namen van dit spel in andere streken vergelijke men DE JAGER, Verscheidenh. 148 en 168, en HOFFMANN, Horae Belgicae 6, 181. 2) Werpen. || Een bal over straat keilen. – Evenzo elders in Holl. 3) Zich snel voortbewegen. || Dat schip keilt lekker voor de wind of. Een vogel keilt door de lucht. Synon. kiegel-de-kas doen, zeilen, zwikken.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
keilen , käilen , keilen, werpen
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
keilen , koile , werkwoord , 1. Keilen. 2. Snel drijven, zich in een rechte strekking voortbewegen (van een schip) (verouderd).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
keilen , keilen , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , keilen Dat stientien keilt over het water (Eri)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
keilen , keile , gooien op een ruwe manier , hij wier kwaod en hij keilde z’n nuwe fiets zo tege de schutting = hij werd kwaad en gooide zijn nieuwe fiets met kracht tegen de schutting- ; gooien, met een steentje over het water van een sloot of grote plas gooien, waardoor het steentje twee of drie keer omhoog springt vooraleer het in het water verdwijnt;
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
keilen , keijle , met een werptol de tol van een ander proberen te raken. Jongensspel.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal