elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ketelig

ketelig , [niet helder] , ketelig , (bijvoeglijk naamwoord) , miskleurig, niet zuiver helder. “Dat boezelaartje ziet vrij ketelig” zei buurvrouw “het is niet helder in den grond.” Dat is zoo, was het antwoord, maar, dat soort van doek wordt spoedig ketelig. “Dat komt,” mompelde buurvrouw al verder, “omdat er de hand niet aan gehouden wordt.”
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
ketelig , ketelig , (bijvoeglijk naamwoord) , In de uitdr. ketelig worden, verkleuren, verbleken; van gekleurde stoffen. || Wat wordt dat boezelaar ketelig. Dat goed wordt gauw ketelig. – Evenzo in de Beemster (BOUMAN 52). Het woord is waarschijnlijk afgeleid van ketel, wasketel, en wordt dus gezegd van goed, waaraan men zien kan, dat het in de ketel geweest is, dat door het wassen is verkleurd. – Soms ook wordt ketelig gebruikt van personen, die er bleek en flauw uitzien. || Wat ziet ze der ketelig uit.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
ketelig , ketelig , kittelig , bijvoeglijk naamwoord , Vuil, verkleurd door het wassen. Het woord is waarschijnlijk een afleiding van ketel, hier: wasketel. Vgl. Boek. onder ketelig.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal