elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kiereboe

kiereboe , kiereboe , (vrouwelijk) , kiereboes , kapwagen, bolderwagen, een overdekte boerenwagen.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
kiereboe , kiereboe , soort van vierwielig, overdekt rijtuig; thans ziet men ze zelden meer. (v. Dale: kierboe (gewestelijk) bankwagen, eene soort van licht wagentje.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
kiereboe , kiereboe , (kierəboe, met hoofdtoon op kie) , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Kapwagen, overdekte boerenwagen. || We bennen mit ’en kiereboe mee’ereden. – Inzonderheid een wagen met een portier van achteren. – Evenzo in de Beemster (BOUMAN 53); VAN DALE vermeldt het woord als gewestelijk.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kiereboe , kiereboe , zelfstandig naamwoord de , Ouderwetse, vierwielige boerenwagen waarvan de (witte) kap op riemen rustte.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal