elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kil

kil , kil , (bijvoeglijk naamwoord) , angstig, schrikkig. Het paard kan zich soms zoo kil maken, het wordt nog hoe langer zoo killer. Maakt u maar zoo heftig, zoo kil niet.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
kil , kel , verschrikt. Gron. (Ommel.) kel, ook Friesch. Oostfr. kel = ontsteld. – kel = kil (= koud, rillend, huivering gevoelend, (door schrik), alzoo de uitwerking voor de oorzaak genomen. Kil. kelde = koude, vorst.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
kil , kil , (bijvoeglijk naamwoord) , kil.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
kil , [wig] , kîl , (mannelijk) , wigge.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
kil , kel , kil , (Ommelanden) = verschrikt; ’k wōr (of: ’k wordde) d’r kel van, bv. van den donder, van eene tijding = ik schrikte, huiverde, rilde er van: ook Drentsch, FrieschKil. kel = angstig, bevreesd, verschrikt. Oostfriesch kel = teergevoelig (Groningsch hijtkillîg). – Kel staat voor: kil, koud, huiverend, zóó gesteld dat men eene koude rilling ondervindt; de uitwerking wordt alzoo voor de oorzaak genomen. Vgl.: ik werd er koud van.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
Kil , Kil , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Naam van een water onder Assendelft. || Schout en schepenen … ordonneren by dese: de Kil, strekkende van de Nieuwe Overdykinge af tot de Meer (Wijkermeer) toe, aen de zyde van Assendelft, wel schoon en klaer op te maken tot de wydte van vyf voeten, synde aen de over-zyde mede vyf voeten, dus in syn geheel tien voeten, Handv. v. Assend. 242 (a° 1667). Het overdyken van de Kil tussen de … Assendelver- en St. Aegten-dyk (a° 1718), ald. 296. Een Molen, van soodanig een grootte als benoodigt sal syn … om het water uyt den Ham in de Kil op te malen (a° 1719), ald. 311. – De eigenlijke betekenis van kil is waterloop, afwatering. || Een geschil … roerende die tochte of Sluys van de visscherye van den Nyeuwendam … (is aldus) getermineert …: dat sy geenrehande touwen (vistuig) in der reechter kille van den diepte setten en souden, die totten gate van den Nyeuwendam dienden …, ende dat die voirsz. kille vier voeten (l. roeden) wyt wesen soude; was voirt verclaert … dat sy tot ghenen tyden in der kille visschen, noch netten setten en souden, Handv. v. Assend. 65 (a° 1471). De suppliant (heeft) dese visscherye van den Nyeuwendam, met alle die tochten ende toebehoren van dien, beseten, rustelyck ende vredelyck, ende als yemant gepoecht heeft eenige vuycken ofte corven te setten in de tochten of killen voirsz., soe heeft (hy) … se altyt opgehaelt ende doen ophaelen, sonder eenige contradictien, ald. 97 (a° 1543). – Vgl. ook: ’t Vuyle water ende slibber, dat uyt de Haerlemmer-Meer komt …, moet mede sijn plaets hebben hier of daer, achter in die inwijcken, ende in de hoppen, daer den stroom sijn loop ende gangh niet hebben en mach: maer daer den kil nau is, daer moet het nootwendigh sijn schuring ende diepte houwen, LEEGHWATER, Haerlb.7, 12. – Zie verder Mnl. Wdb. III, 1427 op kille.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kil , kil , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Koude, kilheid. || Maak de kachel voor ’en uurtje an, dat de kil uit de kamer is. Zet de melk binnen, dan gaat de kil er wat of. – Het woord is ook elders in Holl. bekend en komt ook voor bij HOOFT; zie OUDEMANS, Wdb. op Hooft 474. In de oudere vorm kilde vindt men het bij KIL. en BREDERO. Vgl. verder Ned. kil, bijvoeglijk naamwoord en FRANCK 444 op kil.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kil , kel* , (ook bladz. 29): bij v. Dale (4e druk) als bijvoeglijk naamwoord = kil, gewestelijk = verschrikt, angstig.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
kil , kel* , vergel. de spreekwijze: ik werd er koud van.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
kil , kel , huiverig van aandoening
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
kil , kil , zelfstandig naamwoord de , Kilheid, koude. | Maak de kachel efkes an, dat de kil uit de kamer is. Ik wul ’n glas melk, as de kil er maar of is.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
kil , kil , zelfstandig naamwoord de , 1. Geul, waterloop. 2. Laag gelegen stuk land. Vgl. het N.E.W. onder kil 1.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
kil , kil , bijvoeglijk naamwoord , 1. Schrikkerig. | ’t Peerd werd kil. 2. Griezelig. | Ik vond ’t maar kil, al dat bloed!
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
kil , kel , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Kop van Drenthe ook met rekking) = 1. koud, ook van schrik of ontroering Met die regen is het overal zo kel (Bor), De handen wordt er kel van (Sle), zie ook kil, Het lop mij kel over de hoed ik krijg koude rillingen, vooral van schrik (N:Sle), Ik worre der kel van aj aover dat ongelok praot (Eli) 2. driftig (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) Een kel kèreldie (Dwi), Hie wuur al wat kel in de hoed (Emm), Ie moet oe niet zo kel maeken (Wap), zie ook kils
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kil , kil , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , kil Het is kil in huus met zuk donker weer (Erf), Het wèer is nog te kil veur de tied van het jaor (Uff), zie ook kel
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kil , kil , de , killen , (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe) = kielvormige hoek tussen dakschilden of tussen uitbouw en het dak Mit ’n kil moej slim oppassen aans lekt het gauw (Die), zie ook kremp II
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kil , keel , laagte tussen twee heuvels.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
kil , kil , kil
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kil , kèl , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , kèle , - , goot , (tussen twee daken) kèl (mnl. 'kele': o.a buis waardoor een vijver van water wordt voorzien.) VB: V'r hebbe de kèl mêt zeenk belaag.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal