elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kim

kim , kimme , (vrouwelijk) , kimmen , gezigteinder, de scherpe rand die als het ware hemel en aarde vereenigt. Het blikt (weerlicht) laag in de kimmen. De zon is alreeds beneden de kimmen. Zoo ook heet de scherpe rand van een vat, kimme of kim.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
kim , kim , lokwoord voor paarden: men hoort het zelfs met weglating der m (Hoogeland)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
kim , kimmen , (zelfstandig naamwoord) = de inkervingen in duigen waarin de bodem, of: bodems van eenig vaatwerk nauwkeurig moeten passen. Is die sluiting niet volkomen in orde, dan zegt men dat het vat nijt goud in de kimmen is. Zie: inkimmen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
kim , kimme , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Zie de wdbb. – 1) Bij de kuiperij. Kim, de over de bodem uitstekende rand van een ton of kuip. 2) Op een schip. Zekere balken aan weerskanten onder langs de gehele zijde van het schip, tussen de zitters en de oplangers. Men onderscheidt de binnen- en de buitenkimme.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kim , kimment , zelfstandig naamwoord de , 1. Grenslijn tussen land en water, veranderend met de waterstand. | De kimment is puur leig. 2. Ondiep gedeelte in een sloot waar de schuit niet aan de wal kan komen. 3. Hoek, inham. | Zei je mit zolder rôden goed in de kimmente komme! Het woord is een variant van kim. Zie aldaar.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
kim , kim , kimme , zelfstandig naamwoord de , Ook: 1. Inkerving in de duigen van een vat. 2. Rand of bodem van een vat. 3. Inspringende hoek, inham.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
kim , kim , de , (Zuidwest-Drenthe, zuid) = kaam, vlies De zoerkool zit goed onder de pekel maar der drif aordig kim op (Ruw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kim , kimme , horizon
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kim , kimme , zoutuitslag op in pekel ingemaakte groente
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kim , kimme , (zelfstandig naamwoord) , kim, horizon.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal