elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: klienen

klienen , klienen , (transitief werkwoord) , kaasklienen. Als de zoete melk in de kaastobbe gestremd en daarna doorgehaald is, gaat men over tot het klienen, dat is: kleinmaken, ziften, klutsen. Het is onder deze bewerking, dat de fijn geklutste kaas zich tot een geheel laat te zamen drukken.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
klienen , kluinen , (zwak werkwoord, intransitief) , Klien trekken, derrie baggeren. Zie klien II. Het woord is thans geheel onbekend. Misschien is cluinen een schrijffout voor clyenen, doch vgl. Geld. kluin in de zin van klien. || Item, en sal niemant voortaen geoorlooft sijn te baggeren, cluynen ofte slijck te haelen uyt eenige gemeene wateren ofte des Heerlijckheyts gronden, ... maer ’t selve sal men mogen doen uyt syn eygen grondt en wateren (keur v. Assendelft, 17de e.), Handv. v. Assend. 183. – Zie klienen II.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
klienen , klienen , (zwak werkwoord, transitief) , Daarnaast kaasklienen. Bij de kaasmakerij. Fijn maken, van de in de kaastobbe gestremde zoete melk. Vroeger ging deze bewerking anders dan tegenwoordig. De dikke massa werd voorzichtig met een houten nap doorgehaald en daarna met de vingers verder fijn gemaakt; dit laatste heette klienen. Tegenwoordig gebruikt men hiertoe een soort van rooster, de doorhaalder of kliender (zie aldaar) en heeft men op deze nieuwe bewerking de namen doorhalen en klienen overgedragen. – Het woord is ook elders in N.-Holl. gebruikelijk (BOUMAN 55). Klienen komt van de oude vorm klien, klein (zie klein) en betekent dus klein maken.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
klienen , beklienen , (zwak werkwoord, intransitief) , Van spijzen. Door het koken of braden slinken, inkrimpen. || Wat is dat vlees bekliend. Je moete der op rekenen dat gestoofde sla erg beklient. Ik docht dat we genoeg groente hebben zouwen, maar de andijvie is zo bekliend. – Beklienen komt van klien, de Fries-Holl. vorm van kleen, klein, en betekent dus kleiner worden, inkrimpen. Vgl. klien en klienen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
klienen , kliene , werkwoord , Klein, fijn maken van kaasstof. Het woord is een afleiding van klien, de oude Hollands-Friese vorm van klein.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
klienen , klienen , klenen, klainen, klunen, kluun , zwak werkwoord, overgankelijk , (Zuidoost-Drenthe, Kop van Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook klenen (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe), klainen (Veenkoloniën), klunen (Zuidwest-Drenthe, noord), kluun (Zuidwest-Drenthe, zuid) = klein maken of fijn verdelen Ik mo die dikke kloeten nog wel flink klenen (Die), Hij is niet in huus, hij is hen mes klenen (Noo), Zorren klainen zoden fijn maken (Eek)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal