elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: klook

klook , [smerig persoon] , klook , (vrouwelijk) , kloken , eene smeerpriem, eene morsige vrouw. Het is eene regte klook, ze ziet er altijd even klokerig uit. Ze is zoo smerig als een pijpenkloker.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
klook , klouk , zelfstandig naamwoord de , Morsig, smerig wijf.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal