elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: knaphandig

knaphandig , [vrijmoedig, onbeschaamd] , knaphandig , (bijvoeglijk naamwoord) , vrijmoedig, onbeschaamd, met vlugge hand. Het was maar een gaauwigheid van hem, hij had het al heel knaphandig weggemoffeld. Men gebruikt dit woord hier meestal sprekende van gaauwdieverij.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
knaphandig , gnaphandig , (bijwoord) , Knaphandig. Zie gnap. || Dat zakie zei ik wel ers gnaphandig in orde maken. – Evenzo in Friesl.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
knaphandig , knaphandig , bijvoeglijk naamwoord en bijwoord , 1. Met vlugge hand. (verouderd) Vgl. Fries knaphandich. 2. Vrij, vrijmoedig, onbeschaamd (verouderd).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
knaphandig , knaphandig , bijwoord , (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe) = handig Hie hef daor even knaphandig met ofwarkt (Oos), Dat hef hij knaphandig flikt (Bco)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal