elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kneken

kneken , [verwijtend klagen] , kneken , (transitief werkwoord) , verwijtend klagen, nijdig kermen, lamenteren. Zij kneekt den ganschen dag door, ik ben dat gekneek al lang moede. Het is een kneekster.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
kneken , kneken , (zwak werkwoord, intransitief) , 1) Door de neus spreken. || Hij kneekt ’en bietje. Weet je niet wie ik mien? ik bedoel die zo kneekt. 2) Zeuren, zaniken, lamenteren. || ’t Is wel lam voor je, maar of je der al over kneke (kneekt) geeft toch niks. Ze kneekt de hele dag deur. – Evenzo in de Beemster (BOUMAN 57). – Vgl. kneek, kneker en gekneek.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kneken , kneke , werkwoord , 1. Door de neus praten (verouderd). 2. Vertwijfeld klagen, nijdig kermen, zaniken. Zegswijze kneke zel daaie, wie nu klaagt (bv. over verlies bij een spelletje), heeft straks geluk (verouderd).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal